Gratis proefhoofdstuk · 10–13 minuten lezen

Hoofdstuk 1

Het Artefact

De Anomalie van Luzern

De eerste keer dat ik de naam Pilatus hardop uitsprak, zat ik aan mijn keukentafel in de Nachtegaalstraat.

Buiten gleed een bus van lijn 8 door de regen richting Wilhelminapark, de banden sissend over het natte asfalt. In de radiator tikte lucht door de leidingen, een oud, onregelmatig geluid dat ik normaal nauwelijks opmerkte. Die avond hoorde ik alles.

Voor me lag een uitgeprinte treinreservering: Utrecht Centraal naar Luzern, dwars door Zwitserland. Daarnaast een kaart van Centraal-Zwitserland, een halflege mok koffie en een notitieboek vol vergelijkingen die ik niet meer aan mijn studenten durfde te laten zien.

Pilatus.

Een berg boven Luzern.

Meer wist ik toen nog niet.

Niet dat die naam de grens zou worden tussen mijn oude leven en alles wat daarna kwam. Niet dat ik twaalf dagen uit mijn eigen werkelijkheid zou verdwijnen. Niet dat Anke zes weken lang mijn voicemail zou inspreken, tot haar stem brak.

Ik wist alleen dat de vergelijking niet klopte.

Of erger: dat zij wél klopte, en de wereld niet.

De winkel rook naar oud papier en wierook. Een geur die me onmiddellijk terugbracht naar de bibliotheken van mijn studententijd, maar zwaarder, met een ondertoon van sandelhout die in de stofdeeltjes leek te hangen. Buiten, in de smalle kasseienstraten van de oude binnenstad van Luzern, gonsde het van de toeristen die zich verdrongen voor etalages vol dure horloges en Zwitserse chocolade. Maar hier, zodra de deur achter me dichtviel, verdween de wereld. Het geluid van de straat werd afgesneden alsof iemand een schakelaar had omgezet.

Ik stond even stil om mijn ogen te laten wennen aan het schemerdonker. De ruimte was smal en volgepropt met religieuze beelden, verweerde landkaarten en staande klokken die al decennia niet meer tikten. Geen neon, geen schreeuwerige uithangborden. Alleen stilte en stof.

Mijn blik werd getrokken door iets boven de toonbank: een kristallen object aan een dunne zilveren ketting. Een zeshoekig prisma, ongeveer acht centimeter lang, met een doorsnede van twee centimeter. Op het eerste gezicht leek het kwarts, maar toen ik dichterbij stapte, zag ik dat het materiaal niet inert was. Binnenin zaten geometrische patronen, ragfijne lijnen die deden denken aan complexe schakelingen. Ze braken het licht en wierpen onverwachte regenboogflitsen zodra ik mijn hoofd bewoog.

En toen hoorde ik het.

Of beter: ik voelde het. Een zachte, resonante toon — ergens rond de 285 hertz — die leek te vibreren in mijn borstkas. De trilling begon op het exacte moment dat ik naar het object keek.

“Het heeft op u gewacht.”

Ik schrok op. Achter de toonbank stond een man, ouder dan ik had verwacht. Zeker vijfenzeventig, met een gebogen rug en een grijze baard die over zijn vest hing. Zijn ogen waren helder en vriendelijk, maar zonder de commerciële glimlach die ik de hele dag in de stad had gezien. Hij leek alleen maar een feit vast te stellen.

“Pardon?” Mijn stem klonk te hard in de kleine ruimte. “Wat is dit? Een piëzo-elektrisch kristal? Zit er een batterij in die de trilling veroorzaakt?” Het was mijn standaardreactie op alles wat ik niet begreep: onmiddellijk reduceren tot iets wat ik wel begreep. Mijn therapeut zou het een afweermechanisme noemen. Ik noemde het wetenschap.

De man negeerde mijn analyse. Hij nam het object voorzichtig van de haak. “Mijn vader vond het in 1962,” zei hij met een zwaar Duits accent. “In een grot op de Pilatus. Hoog boven de boomgrens, in de buurt van het Mondmilchloch, maar dan dieper.” Hij zweeg even en keek naar de steen in zijn hand. “Hij zei dat het… sliep. Tot nu.”

Hij hield het me voor. Aarzelend stak ik mijn hand uit.

Zodra mijn vingers het kristal raakten, voelde ik een schokje — niet de oppervlakkige ontlading van statische elektriciteit, maar iets fundamentelers, alsof mijn zenuwstelsel plotseling werd aangesloten op een bron met exact dezelfde frequentie. Daarna kwam de warmte. Hoewel het object geen zichtbare warmtebron had, voelde het aan als achtendertig graden, alsof ik de hand van een levend wezen vasthield. En ten slotte, onverklaarbaar, flitste er een beeld door me heen dat niet van mij was: een steile, grijze bergwand met een spleet die verborgen lag achter struikgewas. Daarbij kwam een diep gevoel van heimwee naar een plek die ik nooit had bezocht.

De trilling in mijn handpalm deed denken aan een telefoon op trilstand, maar dan zachter, dieper, bijna organisch. Alsof het materiaal zelf ademde.

“Hoeveel kost het?” vroeg ik automatisch, hoewel ik al wist dat ik dit object onmogelijk kon achterlaten.

De man schudde zijn hoofd en duwde mijn hand zachtjes terug naar mijn borst. “Het is van u. Het was altijd al van u.”

Ik stond buiten voordat ik goed besefte wat er was gebeurd. De zon stond laag en zette de gevels van Luzern in een gouden gloed, maar de warmte die ik voelde kwam uit mijn jaszak, waar het kristal tegen mijn zij rustte.

Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Mijn hotelkamer was het toonbeeld van moderne Zwitserse efficiëntie: strakke lijnen, kraakwit beddengoed en een groot raam dat uitkeek over het Vierwaldstättersee. Het was er doodstil, op het zachte klotsen van het water na.

Om precies 03:33 uur schoot ik wakker.

Er was geen geluid, maar de kamer was niet langer donker. Op het nachtkastje, waar ik het kristal had neergelegd, pulseerde een licht. Geen nerveus geknipper, maar een vloeiende, ritmische gloed, alsof het object ademde in licht.

Terwijl ik verstijfd rechtop zat, schoot er plotseling een straal cyaanblauw licht uit de top van het prisma recht omhoog naar het plafond. Het licht brak niet zoals het hoorde. Het vouwde zich open in de lucht en vormde een perfect driedimensionaal beeld.

Met bonzend hart greep ik naar mijn bril. Het was een kaart. Een onmiskenbaar gedetailleerde topografie van de Pilatus. Ik herkende de kabelbaan en de toeristische paden die ik op folders had gezien, maar daar ging het niet om. Een felle, lichtgevende lijn traceerde een route die op geen enkele officiële kaart stond. Dwars door het bos, weg van de gebaande paden, eindigend bij een specifieke rotswand.

Naast de bergprojectie verschenen cijfers in hetzelfde cyaanblauwe licht: 46.9787° N, 8.2527° E.

“Dit is onmogelijk,” fluisterde ik tegen de lege kamer. Mijn stem klonk hees. Ik greep mijn telefoon en begon te filmen, mijn handen trillend. Op het scherm zag ik niets. Alleen het nachtkastje en het donker. Toen ik over mijn telefoon heen keek, was het hologram er nog steeds. Wat het ook was, de sensor van de camera kon het niet registreren.

Ik opende Google Maps en voerde de coördinaten in. Het punt lag op de Pilatus, in ruig en ontoegankelijk terrein.

Na enkele minuten doofde het licht. Het kristal werd weer helder en inert. De kamer was weer donker, maar de stilte voelde nu zwaarder, beladen met vragen waar mijn verstand geen antwoord op had.

Ik stapte uit bed. De vloerbedekking voelde koud onder mijn voeten terwijl ik naar het nachtkastje liep. Ik durfde het kristal niet aan te raken. In plaats daarvan klapte ik mijn laptop open. Ik moest dit rationaliseren. Ik ben natuurkundige. Geen zweverig type. Er moest een verklaring zijn. Een projectiemechanisme, een miniatuur laser-array verborgen in de kristalstructuur, aangedreven door… wat? Omgevingswarmte? Radiofrequenties? Nulpuntenergie?

Ik typte verwoed: “kwartskristal holografische opslag” en “piëzo-elektrische lichtemissie”. De resultaten waren academisch en droog. Ja, kristallen konden in theorie data opslaan — 5D optische opslag bestond daadwerkelijk — maar projectie zonder externe lichtbron? Zonder batterij, zonder warmteafvoer, zonder meetbare energietoevoer? Dat tartte alles wat ik kende van energiebalans. Niet omdat het onmogelijk móést zijn, maar omdat ik de ontbrekende variabelen niet zag.

Ik veranderde mijn zoekopdracht. “Pilatus mysteriën”. “Verdwenen wandelaars Pilatus”. “Vreemde lichten Luzern”.

Het scherm vulde zich met folklore. Verhalen over draken die in de middeleeuwen op de berg zouden hebben gewoond. Een boer genaamd Stemplin die in 1421 een ‘drakensteen’ met genezende krachten zou hebben gevonden. Pontius Pilatus, wiens geest in het bergmeer zou rusten — de stadsraad van Luzern had het beklimmen van de berg eeuwenlang verboden uit angst dat verstoring van het water vreselijke stormen zou veroorzaken. Toeristische onzin. Maar toen scrollde ik verder, naar de diepere krochten van wandel- en lokale geschiedenisfora.

Een bericht uit 2008 op een Duits alpinistenforum trok mijn aandacht. Een gebruiker, BergWanderer72, beschreef een zingend geluid in de buurt van de Klimsenhorn, gevolgd door een desoriëntatie die uren leek te duren, maar in werkelijkheid slechts minuten had geduurd. Een ander sprak over schaduwen die de verkeerde kant op vielen en kompassen die op specifieke coördinaten doldraaiden. Er waren krantenknipsels van vermiste personen — ervaren klimmers die simpelweg waren opgelost in de mist en nooit meer waren teruggevonden.

Mijn maag kromp samen. Keek ik naar bewijs van gevaar, of naar de sporen van iets anders?

Ik klapte de laptop dicht en liep naar het grote raam. De maan stond hoog en wierp een zilveren pad over het meer. Aan de overkant torende de Pilatus boven alles uit, een massief, zwart silhouet tegen de sterrenhemel. De berg zag er niet uit als een formatie van steen en aarde, maar als een slapend beest.

Het heeft op u gewacht, had de man gezegd.

Ik legde mijn voorhoofd tegen het koude glas. Mijn adem vormde een wolkje op het raam. “Dit is waanzin,” zei ik hardop. “Je klimt niet zomaar buiten de paden om een berg op, alleen omdat een steen licht geeft.”

Maar diep vanbinnen wist ik dat het geen keuze meer was. Het kristal werkte als een zwaartekrachtveld. Het had me niet alleen een kaart getoond; het had me geroepen. Als ik nu terug naar bed zou gaan, als ik morgenochtend mijn koffer zou pakken en naar Nederland zou vliegen, zou ik de rest van mijn leven spijt hebben. Elke dag opnieuw. Ik zou oud worden en me afvragen wat er bij die coördinaten verborgen lag.

Ik keek naar de weerspiegeling van mijn eigen ogen in het glas. Ze leken anders. Wijder. Wakkerder.

De volgende ochtend zat ik in de ontbijtzaal. Om me heen klonk het beschaafde gerinkel van bestek en gedempte gesprekken in verschillende talen. Voor me stonden een kop koffie en een croissant, maar elke poging om te eten liet mijn keel dichtknijpen.

Mijn laptop stond open met satellietbeelden van het massief. Ik bestudeerde de route. Vanaf het bergstation Pilatus Kulm moest ik het toeristische pad volgen tot voorbij de uitzichtpunten. Daar, bij een specifieke rotspunt die op de kaart de vorm van een haaientand had, zou ik over het hek moeten klimmen. Daarna volgde een afdaling van vijfhonderd meter door dicht bos, steil naar beneden, naar de wand waar de coördinaten heen wezen.

Naast mijn stoel stond mijn rugzak. Vanuit het zijvak voelde ik de zachte, dwingende puls van het kristal door de dikke stof heen.

Ik pakte mijn telefoon. Mijn duim zweefde boven de naam van mijn zus, Anke. Ze zou nu op haar werk zijn, in Utrecht. Als ik haar belde, zou ze onmiddellijk horen dat er iets aan de hand was. Ze kende me te goed.

Ik drukte op bellen.

“Hé, Els!” Haar stem was helder en vrolijk. “Hoe is het in Heidi-land? Heb je al chocola gegeten?”

“Hé An,” zei ik, terwijl ik mijn stem zo vlak mogelijk probeerde te houden. “Ja, het is prachtig hier. Het meer is… onwerkelijk.”

“Klinkt goed. Wat is het plan vandaag? Luieren? Boottochtje?”

Ik slikte. De leugen lag zwaar op mijn tong. “Ik ga wandelen. De Pilatus op. Even de benen strekken.”

“Oh, leuk! Maar doe voorzichtig, hè. Je bent alleen.”

“Ja, natuurlijk. Ik blijf op de paden,” loog ik. “Gewoon de toeristische route. Veel Japanners met camera’s, je kent het wel.”

Ik was verbaasd over hoe makkelijk de leugen me afging. Jarenlange academische presentaties waarin ik deed alsof ik mijn eigen publicatie volledig doorgrondde, hadden me er kennelijk op voorbereid.

“Oké, stuur je een foto als je boven bent? En niet te dicht bij de rand, ik weet hoe onhandig je kunt zijn.”

“Zal ik doen. Dag, lieverd.”

Ik hing op. Mijn handen trilden. Ik had gelogen tegen de persoon die het dichtst bij me stond. Het voelde als verraad, maar ook als noodzaak. Sinds de dood van onze ouders was zij mijn anker. En nu sneed ik het touw door.

Als ik de waarheid had verteld — An, ik ga op zoek naar een geheime grot die me getoond is door een holografisch kristal — had ze de Zwitserse politie gebeld. Of een psychiater.

“De rekening, alstublieft,” zei ik tegen de ober die langsliep.

Op mijn kamer pakte ik mijn spullen. Methodisch, als een ritueel om mijn zenuwen te kalmeren.

Eerst het water: twee flessen van een liter. Hydratatie was cruciaal op hoogte. Dan proviand: mueslirepen, een zakje noten, een appel. Mijn EHBO-setje. Pleisters, ontsmettingsmiddel, een drukverband. Mijn hoofdlamp, reservebatterijen en lichte handschoenen. Mijn Zwitserse zakmes — de ironie van dit gereedschap op een Zwitserse berg ontging me niet. Een extra trui en een regenjas; het weer in de Alpen kon binnen tien minuten omslaan. Mijn powerbank. Als ik verdwaalde, moest ik mijn telefoon kunnen gebruiken voor de GPS.

Ironisch, besefte ik later. Waar ik heen ging, bestond geen GPS.

En ten slotte het kristal.

Ik haalde het uit mijn jaszak. Het voelde nu echt warm, bijna heet. Ik wikkelde het voorzichtig in een dikke wollen wandelsok en borg het diep in het binnenvak van mijn rugzak op, tegen mijn rug aan. Zelfs door de wol en de voering heen voelde ik de vibratie tegen mijn ruggengraat. Het was geen onprettig gevoel. Het was geruststellend, op een vreemde manier. Alsof ik een kompas bij me droeg dat niet naar het noorden wees, maar naar huis.

Ik trok mijn wandelschoenen aan en strikte de veters strak. Ik keek nog één keer in de spiegel. De vrouw die terugkeek was bleek, haar haar strak in een staart, haar ogen groot en donker. Ze zag eruit alsof ze op de vlucht was.

Ik verliet het hotel en liep naar het dalstation van de kabelbaan in Kriens. De zon scheen, de lucht was dat perfecte ansichtkaartblauw, en om me heen liepen gezinnen met kinderwagens en bejaarde echtparen met wandelstokken. De wereld was normaal. Banaal, bijna. Bussen reden af en aan, iemand at een ijsje.

Maar ik liep in een andere realiteit. Elke stap bracht me dichter bij de berg die boven de stad uittorende. Ik voelde me een indringer in dit tafereel van alledaagsheid. Ik droeg een geheim in mijn rugzak dat het wereldbeeld van al deze mensen zou kunnen verbrijzelen.

Bij de kassa kocht ik een enkeltje.

“Enkele reis?” vroeg de loketbeambte verrast. “Gaat u te voet terug naar beneden?”

“Misschien,” zei ik. “Ik wil alle opties openhouden.”

Terwijl ik in de gondel stapte en de deuren zich achter mij sloten, voelde ik de cabine zacht schokken. Een moment later kwam de vloer los van het dalstation.

Onder mij zakte Kriens langzaam weg. Daken, straten en mensen werden kleiner, alsof de normale wereld zich nu al van mij begon terug te trekken.

Ik klemde mijn handen om de banden van mijn rugzak. Diep tegen mijn rug trilde het kristal. Niet langer als een vraag, maar als een bevel.

Er was geen weg meer terug.

Ik ging naar boven.

Naar de coördinaten.

Naar de berg die mij riep.

Omslag van Mijn reis naar planeet Erra

Dit was pas het begin

Volg Elsa naar de berg die haar riep.

Lees verder in boek 1 van Tussen Twee Zonnen. Het e-book en de paperback zijn nu verkrijgbaar.